2025 | Vuurland | A reminder of repetition
2024 | Marres Huis voor Hedendaagse Cultuur | ‘De Onzichtbare...’
2024 | Stadsgezicht | ‘Aan een ruimte die licht doorlaat’
2024 | Joep Vossebeld, ZOUT Magazine | ‘Misschien zijn alle keuzes...’
2023 | Vuurland | Rituelen ter bewaring
2023 | CineSud | ‘mini-DOCS 2023: stille gronden, Elisa Verkoelen’
2023 | Joep Vossebeld | ‘Wat niet kan worden aangeraakt’
2023 | Vuurland | ‘Gesprekken in tussenruimte’
2023 | Hard//hoofd | Illustraties bij ‘Lampedusa’ door Marieke Vreeken
2023 | Notulen van het Onzichtbare | ‘Observaties van lichte dieren’
2022 | Marres Huis voor Hedendaagse Cultuur | ‘De ommuurde tuin’
2021 | Tijdschrift Ei | ‘Hoe de dingen aan het licht komen’
Toen ik hier net kwam wonen viel het me op hoe lastig het voor me was om te onthouden hoe ik op bepaalde plekken kwam. De opengebroken wegen herinnerden me aan elkaar in plaats van aan zichzelf en ik moest steeds namen van straten onthouden om te weten of ik op de juiste weg was. Het resulteerde in vele keren de weg kwijtraken en vooral in vaak te laat komen. Ik probeerde de kleuren en vormen van de straten en de omliggende huizen in me op te slaan, maar ik kwam altijd weer bij nieuwe plekken die ik niet eerder gezien had. Mijn herinneringen lopen de laatste jaren wel vaker en onbewuster in elkaar over. Kamers worden kamers, avonden worden avonden, gesprekken worden gesprekken die steeds zoveel op elkaar lijken dat ik niet meer weet met wie ik ze voerde.
Ik beweeg me tegen de tijd in, de ingelijste lucht, de meeuwen. Je vertelt me dat het in geen jaren zo lang bewolkt is geweest in Nederland en België, je zegt, de mensen moeten vast last hebben van de weinige hoeveelheid licht die ze dagelijks tot zich nemen, je noemt het lichttekort. We leggen onszelf aan elkaar uit in voorbeelden, ik gebruik meestal vogels in de mijne omdat ik dat nu eenmaal doe en omdat ik graag over vogels praat. In de kamer staat een bed en een kast en nog een lege kast die we van buiten gebruiken om spullen op te leggen. Handen lijken op geen enkele manier op vogels, maar ik vergelijk ze er toch mee.
In een brief aan mezelf schrijf ik: Lieve E, ik hoop dat de dingen goed gaan en ik hoop dat je het aankunt deze brief met overdenkingen te ontvangen. Het is een beetje dubbel natuurlijk omdat ik nu al zeker weet dat je nieuwsgierigheid altijd net iets groter is dan je angst of je zorgen, waardoor de nieuwsgierige ruimte altijd de twijfelende of angstige ruimte zal omvatten. En al is dat maar voor even, zelfs dan zal je in het moment de ene ruimte in de andere binnenlaten en geen rekening houden met de tijd dat de nieuwsgierige ruimte op zal lossen, want nieuwsgierigheid bestaat altijd alleen voorafgaand aan iets. Daarom laat je waarschijnlijk de angst in de ruimte binnen en zal die, voor dat moment, zich binnen een soort kader afspelen, waardoor hij minder groot lijkt. Het helpt soms om abstracties op schaal uit te denken, al is het alleen maar om daarvan het gevoel te hebben iets onder controle te hebben.
En het lijkt regelmatig alsof ik tegelijkertijd eenzelfde kamer instap op verschillende tijden, alsof de kamer twee keer op dezelfde plek bestaat, precies overlapt en daardoor eerder dezelfde kamer lijkt dan de kamer is, alsof die daardoor meerdere keren in zichzelf bestaat.
Ik gebruik cirkelbewegingen om mezelf op de been te houden en mijn gemoed lijkt de laatste dagen minder van het weer afhankelijk te zijn. Brieven aan mezelf schrijven is een herinnering van herhaling geworden, de kamer een brievenbus. En dit herhaaldelijk lezen en schrijven heeft ons dichter tot elkaar gebracht. We bewegen ons langs de lijnen die we voor elkaar uitzetten.
Mijn dromen lijken van plaats gewisseld, mensen veranderden zichzelf of anderen, de stad veranderde doorlopend, om over het weer nog maar te zwijgen. Dat maakt het alleen maar vreemder dat de ruimtes die me omvatten weinig zijn veranderd, misschien is er in een jaar tijd qua kamers wel nooit zo weinig veranderd. Natuurlijk zijn er dingen uit zicht geraakt, er zijn plekken die ik los heb moeten laten, kamers die verlies zijn gaan vertegenwoordigen. De kamer in mij is gedraaid ten opzichte van zichzelf, de binnenruimte is scheef komen te staan ten opzichte van de buitenruimte waardoor de doorgangen moeilijk bereikbaar zijn.
Mijn handen wachten tussen de dekens, wachten traag mijn eigen lijf af. Ik zie hoe het licht van de voorgaande dagen afwijkt, de brief van gisteren blijkt over vandaag te gaan. Een snee wit brood heeft twee kanten, maar niet zoals een hand twee kanten heeft. Een snee wit brood op een bord. We proberen te raden of we de boterham wel of niet hebben omgedraaid als de ander niet kijkt, maar het blijkt te moeilijk en het blijkt ook niet uit te maken. (Dit is het bewijs dat handen niet op brood lijken). We besmeren de boterham aan twee kanten: aan beide kanten een laag boter en een laag jam: de boterham zelf is het midden van de boter en jam sandwich: jam, boter, boterham, boter, jam. Je witte kamer, een boterham zonder handvatten.